Toch zette Sidi door, ondanks het feit dat zijn gitaren met regelmaat vernietigd werden door een grotere broer. Op school werden zijn muzikale activiteiten gestimuleerd door de leraar Ibrahim Soumare. Samen met medescholieren vormden ze een bandje en na het uiteenvallen van deze band werd hij het jongste lid van The Songhaï Stars, een lokale band in Gao. Het was een gouden tijd voor de Malinese muziek, want de regering ondersteunde veel bands en er werden twee-jaarlijkse muziekfestivals (biennales) gehouden in Bamako.
Opvallend was dat hij niet in zijn eigen taal, het Songhaï zong, maar in het Bambara en in de meeste gevallen wist hij niet eens waar hij over zong. Hij ontving enkele prijzen in het begin van de jaren tachtig en reisde met zijn band door Niger, Burkina Faso en zelfs Nigeria stond op het tourschema. Ondanks het succes besloot de band In 1990 uit elkaar te gaan en Sidi verhuisde naar Bamako. Hij werd gevraagd om zanger, gitarist en schrijver te worden van de Orchestra Badema National, wat de originele band was van Kasse Mady (Diabaté). Geïnspireerd door Ali Farka Touré - die men nog zou kunnen kennen van zijn niet onverdienstelijke samenwerking met de Amerikaan Ry Cooder - nam hij in de zomer van 1995 zijn intrek in een kleine studio in Bamako, aan de rand van de Niger. Hoga was niet veel later het resultaat. Sidi en zijn band namen deze cassette bij voorkeur ’s nachts op, omdat ze dan niet werden belemmerd door stroomstoringen.
Het is duidelijk dat de muziek uit de regio aan de rand van de Sahara komt, want naast het gebruikelijke electrische intrumentarium, wordt er gebruik gemaakt van speciale instrumenten, de Afrikaanse viool en de calabas. Terwijl de ritmes en muziek typisch Songhaï zijn, vraagt hij in zijn teksten aandacht voor maatschappelijke issues zoals het milieu (oprukkende Sahara) en vrouwenmishandeling.
De Afrikaanse viool, lokaal bekend onder de naam almudoo, creëert een sfeer van oosterse trance en maakt de Songhaï-muziek wat het is. Deze trance, Holley, was er al voor de invasie van de Islam in Afrika en kan worden beschouwd als de bakermat van de voodoo-cultuur, die we in andere West-Afrikaanse landen en landen van de diaspora terugvinden.
Ook de calebas draagt bij tot die speciale sfeer en hij wordt op drie verschillende manieren bespeelt; met dunne stokjes, met een stok omwonden door repen stof en omgekeerd in het water.
Alles bij elkaar heeft de cd de sfeer die ik herkende van de laatste cd van Sorry Bamba, Hamdallay. Echte blues gerijpt onder de Afrikaanse zon.
Deze recensie verscheen eerder in de papieren editie van de Nieuwsbrief van Afrika-Stichting de Baobab.























Hoga – Sidi Touré





































































23 november 2011
26 september 2011








