Jaren later gaat Bembeya Jazz uit elkaar - zo gaat dat met succesvolle bands - en Bambino start zijn solocarrière. Samen met Diamond Fingers die als gitarist ook bij Bembeya Jazz speelde, toert hij door Amerika en doet onder andere New York, Chicago, Los Angeles en San Francisco aan. Een jaar later (1990) maakt Bambino zijn eerste solocassette. Van zijn tweede cassette Le Destin (1992) gaan er honderdzestigduizend over de toonbank in drie maanden tijd en ook buiten Guinee is hij nu een gevierd man.
Niet onterecht, want Bambino is niet zomaar een Diabaté; hij kan meer dan de gemiddelde ’electro-griot’. Zijn repertoire strekt zich uit van heldere pan-Afrikaanse pop tot funky interpretaties van traditionele klassiekers. Bambino’s beide ouders waren griots, dus muziek was een onderdeel van de opvoeding. ’Griots en muzikanten hoeven niet per definitie dezelfde persoon te zijn. Ik heb het geluk beide disciplines in me verenigd te hebben. Ik ben een zanger en een griot. Op dit album ben ik in de mogelijkheid gesteld mijn totale kunnen te laten zien.’, zo legt Bambino uit. In feite is dit nieuwe album dan ook zijn eerste internationale release.
Maar het is Bambino’s zangkunst die het meest indruk schijnt te maken. Een musicoloog zei ooit dat als Bambino een Europeaan zou zijn geweest, hij tot de top van operazangers zou behoren. Een vergelijking die kant noch wal raakt, als je bedenkt dat er in Europa ook nog andere muziek gemaakt wordt dan opera en dat Afrikaanse muziek vernieuwender is dan Europese muziek, die strikt genomen slechts bestaat uit opera en klassiek.
Laten we Bambino liever beschouwen als uniek; Afrikaanse muziek staat immers op zichzelf en behoeft geen vergelijking.
Kassa
Voor deze nieuwe productie is Bambino in zee gegaan met de even beroemde als beruchte producer Ibrahima Sylla, duidelijk met de bedoeling een doorbraak te forceren in de westerse wereld. In tegenstelling tot muziek van landgenoot Mory Kanté is dit echter geen ’Afro-house’ geworden. Reden daarvoor is dat Bambino voor de muziek vijf verschillende Afrikaanse arrangeurs bereid heeft gevonden zijn muziek te arrangeren. Hierdoor is de cd erg gevarieerd en zijn de invloeden van de verschillende arrangeurs duidelijk herkenbaar. Zo maken Yves Ndjock, Ibrahima Soumano, Boncana Maïga, Paulinho Vieira en Jean-Philippe Rykiel het album tot een productie met een rijke afwisseling tussen diverse Afrikaanse muziekstromingen. Het ruim negen minuten durende Diommaya, gearrangeerd door Malinees Soumano, is een voorbeeld van goed in het gehoor liggende griotmuziek; Bambino zingt hier samen met Kandja Kouyaté. Rykiel staat als arrangeur garant voor de wat sentimentelere muziek, zoals wij die ook kennen van het album Folon... The Past van Salif Keita. De Kaap-verdiër Vieira mengt door het geheel nog een vleugje zouk.
De cd is verrassend goed en gevarieerd en Sékouba Bambino Diabaté kan zich hiermee gerust scharen onder de groten van de West-Afrikaanse muziekscene in Europa.
Deze recensie verscheen eerder in de papieren editie van de Nieuwsbrief van Afrika-Stichting de Baobab.
29 september: 























Kassa – Sékouba Bambino Diabaté



















1 september 2010