L’orchestre Poly-Rythmo de Cotonou
Het best bewaarde geheim van West-Afrika is niet eens zo overdreven gesteld. De band maakte vooral in de eerste jaren van de jaren zeventig heel veel platen en hadden contacten met verschillende labels en studio’s. Ze hadden een exclusief contract met het label Albarika Store, maar namen in het geniep ook op voor andere labels, wanneer Albarika’s eigenaar Adissa Seidou in Nigeria was voor zaken.
Die kleinere labels waren vaak opgericht door enthousiastelingen die het naast hun normale werk deden. Er werd dus gebruik gemaakt van wat er voor handen was, als we het over de apparatuur hebben. Om het label Echos Sonores Du Dahomey als voorbeeld te nemen. Men beschikte slechts over een Nagra, een Zwitserse bandrecorder, waar men met de nodige creativiteit nog wat van wist te maken. Een geluidstechnicus mocht aanschuiven met toestemming van de nationale radio. De studio zelf was vaak ook niet meer dan de huiskamer van leden van de band en omdat er maar een beperkt aantal microfoons was (1 of 2) groepeerde het gezelschap zich rond de microfoon om op te nemen.
Wonderlijk genoeg is de kwaliteit van het geluid helemaal niet zo slecht, zeker als je het vergelijkt met wat er enkele jaren geleden nog op cassette uitkwam. En geen van de nummers van dit album, op Mawa Mon Nou Mio na, kwam ooit uit op een album buiten Benin. Zelfs buiten Cotonou was er niets van terug te vinden, zo ondervond Samy Ben Redjeb, de eigenaar en drijvende kracht van Analog Africa.
Het boekje bij de cd doet heel uitgebreid verslag van hoe het allemaal ging in die tijd. Samy sprak met de belangrijkste bandleden en met anderen die betrokken waren bij de totstandkoming van de albums. Zo komen we te weten dat de meeste platen in oplagen van niet meer dan enkele honderden stuks werden geperst, vaak vanwege financiele redenen.
Sato en Sakpata
Het kan ook eigenlijk niet anders: de muziek van Poly-Rythmo blijkt gefundeerd op traditionele ritmes uit Benin. En als je het over Benin hebt, dan heb je het over voodoo, ofwel vodoun. Tijdens voodoo-rituelen was het gebruikelijk een bepaald soort drum te bespelen, die vaak nog groter was dan de drummer zelf, ongeveer 1 meter 75. Mélomé Clement, de bandleider van die tijd, was één van de eerste die die ritmes, waaronder de Sato, voor het eerst op de plaat bracht. Hij voegde blazers, gitaar en orgel toe en het was een groot succes. Mélomé: ’Ik was hevig geïnspireerd door de Sato zoals Danialou Sagbohan die maakte. Hij gebruikte de instrumenten net op een iets andere manier.’. Het nummer Gan Tche Kpo was iedere ochtend op de radio te horen.
Zoektocht
Je zou het boekje bij de cd wel als een soort dagboek kunnen beschouwen. Hoe Redjeb contacten legde met oude studio’s in Ghana of Niamey en hoe hij emails krijgt over verstofte banden die waren teruggevonden. heen en weer gereis naar Accra en weer terug naar Cotonou. Het moet een behoorlijke zoektocht geweest zijn.
Grappig is de passage in het verhaal waarbij hij de gevonden tracks laat horen aan Mélomé en zanger Lohento Eskill. Hoewel de stickers op de originele banden aangeven dat het muziek van Poly-Rythmo betreft, herkennen de bandleden de muziek bijna niet. Het geeft duidelijk aan dat de productie van de band zo hoog was, dat ze op een bepaald moment zelf niet meer wisten wat ze hadden gemaakt. Mélomé geeft later toe: ’Het zullen wel geen successen zijn geweest en wat de compilatie African Scream Contest betreft, hier in Benin zal dat daarom nooit een succes kunnen worden.’. Als het niet op de radio is geweest, bestaat het eigenlijk niet. Die conclusie zouden we kunnen trekken.
Buiten Afrika is inmiddels een revival gaande waar het gaat om oude afrobeat. Een geweldig album en dus helemaal van deze tijd. Bovendien vinden we in het boekje een enorme schat aan informatie en unieke foto’s en platenhoezen. We kijken nu al uit naar het tweede deel en misschien blijft het daar niet bij. We wachten het met spanning af.

16 september: 























The Vodoun Effect – Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou












