In 2003 richt Théo Rakotovao de band Mikea op. De band is vernoemd naar een groot en bekend natuurgebied in het zuid-westen van Madagascar. Beko, de traditionele acapella-zang die voortkomt uit de begrafenismuziek die nog steeds in zijn geboortestreek wordt gespeeld, is zijn inspiratie. Théo begint te zingen als hij twaalf jaar is, als herder in de bergen. Het zingen diende daarbij vooral om de tijd te doden. Niet veel later krijgt hij les in Ankililoaka, zo’n 70 km verderop, waar hij gitaar, accordeon en fluit leert spelen. Rakotovao begint met optreden, waarna hij zich verder gaat bekwamen in de muziek, aan het Collège du Sacre-Coeur in Tulear, een grote havenstad in het zuid-westen.
De stad is ver verwijderd van waar hij geboren is. Niet alleen qua afstand, maar vooral vanwege de cultuur. Hij heeft moeite om aansluiting te krijgen bij de bevolking en vlucht in zijn muziek. Dat levert hem echter wel de nodige complimenten op. Examen voor zijn muzikale studie doet hij uiteindelijk in het noorden van het eiland in de stad Diego Suarez, waar hij tot 1997 woont bij zijn zus.
Onopgemerkte albums
Opnieuw werpt Théo zich op een studie, maar ditmaal in de hoofdstad Antananarivo. Hij treedt veel op op allerlei lokaties en neemt zijn eerste album op, maar die blijft onopgemerkt. In 2003 besluit hij zich meer op de traditionele muziek van Madagascar te richten en verdiept zich in de beko. Tot ergernis van zijn familie gaat hij zich na zijn studie volledig concentreren op zijn muziek. Op televisie ziet hij de bekende muzikant Rajeri, wat hem inspireert voor het tweede album Longo. Maar ook dit album doet het niet goed. Hoewel...
Doorzetter
Plotseling krijgt Longo zekere aandacht, waarin Théo een nieuwe kans ziet. Hij weet zijn groep Mikea te overtuigen en ze betrekken de beste studio van Antananarivo en nemen er met de hulp van de beste technicus en in slechts twintig dagen dit nieuwe album Taholy op. Dit album trekt – zoals door Théo verwacht – wel de nodige aandacht en hij wint er Le Prix Découvertes RFI Musiques 2008 mee, een erkenning voor zijn doorzettingsvermogen.
Théo Rakotovao zingt op dit album zijn eigen muziek. Mooie luisterliedjes die worden gekenmerkt door meerstemmigheid, percussie en fluit. We horen een Madagascar in al zijn schoonheid. Op het album horen we veel bijzondere instrumenten, die in Madagascar vaak door de muzikanten zelf in elkaar worden geknutseld. Zo horen we de kabosa, een vier-snarige gitaar, en de valiha. Dit aparte instrument is gemaakt van de remkabels van een fiets.
Vooral het nummer Doro Ala doet mij persoonlijk veel. Een mooi refrein op de fluit en een betoverend gitaarmelodie. Toch zou Mikea bij het volgende album ook iets stevigers moeten neerzetten, om te voorkomen dat hun muziek teveel wegzweeft naar vergetelheid.

29 september: 























Taholy – Mikea






1 september 2010