Touré en zijn regering financierde dan ook het complete instrumentarium van de bands en de muzikanten ontvingen een staatssalaris. In het land werden festivals georganiseerd waaraan zowel moderne als traditionele muziekgroepen konden deelnemen. In Conakry werden dan de finales gehouden en de hoofdprijs was zonder meer te worden uitgeroepen tot ’
National Orchestra’; een status die toegang verschafte tot de
Voix de la Révolution-studio’s in Conakry. Nationaal en internationaal succes was het gevolg. Bands die het beslist zouden gaan maken werden op kosten van de staat naar Cuba gestuurd om daar ’het vak’ te leren. Het zal niemand verbazen dat de bands fungeerden als spreekbuis van het totalitaire regime van Touré. Toch is uit deze bijzondere manier van sponsoring een unieke hoeveelheid muziek ontsproten. Bekende ’staat-bands’ zijn onder andere
Balla et ses Balladins,
Bembeya Jazz,
Kélétigui et ses Tambourins en
Horoya Band. Na de dood van Touré werden de muzikanten bevrijd van hun betrekkingen met de regering. Velen zullen het waarschijnlijk niet als een bevrijding hebben ervaren, maar zeker is dat aan de muzieksponsoring een einde kwam. Een bijzondere periode in de geschiedenis van Guinee was ten einde.
Van de Horoya Band, die de titel van
Nationaal Orkest in 1971 verwierf, is nu bij
Dakar Sound een cd verschenen van muziek die ze in de zeventiger jaren op het staatslabel
Syliphone uitbrachten.
Paya-Paya heet de cd en betekent zoiets als ’leidend baken’, ongetwijfeld refererend aan de ’vader des vaderlands’, Sékou Touré.
Boodschappen van het Guinese regime klinken onder andere door in het nummer
Alphabétisation, waar de bevolking destijds werd opgeroepen zich te laten scholen.
Deze recensie verscheen eerder in de papieren editie van de Nieuwsbrief van Afrika-Stichting de Baobab.